BAR 01: de moeder aller gespleten F1-auto's

Toen Craig Pollock in december 1997 het legendarische Tyrrell
overnam voor 30 miljoen pond, gebeurde dat met de volle steun van
tabaksgigant British American Tobacco. Het nieuwe British American
Racing-team werd in 1999 geboren, met Pollock als teambaas, Adrian
Reynard als technisch directeur én minderheidsaandeelhouder, en de
pas gekroonde wereldkampioen Jacques Villeneuve als kopman. De
combinatie leek perfect. Reynard Motorsport, geroemd om successen
in Formula Ford, Formula 3, Formula 3000 en CART, ontwierp de auto
in een gloednieuwe fabriek nabij Brackley. Villeneuve bracht
WK-ervaring en bewezen klasse mee. En het geld? Daar was meer dan
genoeg van. "We zullen McLaren en Ferrari het vuur aan de schenen
leggen", verklaarde Pollock voorafgaand aan het debuutseizoen. Maar
in de Formule 1 val je niet alleen op met grote namen en grootse
praatjes. Uiteindelijk spreken de resultaten voor zich, en vaak is
de livery het allereerste wat men van een nieuwe auto ziet. Het was
dus zaak om meteen een sterke eerste indruk te maken bij de
presentatie van de bolide. De livery met de rits Op 6 januari 1999
presenteerde BAR zijn visitekaartje aan de wereld. Niet één auto,
maar twee, in compleet verschillende kleuren. Villeneuves wagen was
uitgevoerd in de stijl van Lucky Strike, met witte, zwarte en rode
kleuren. De bolide van Ricardo Zonta pronkte met de kleuren van de
andere grote sponsor, 555: blauw en geel. Zelfs de coureurs
verschenen in verschillende overalls, passend bij hun eigen livery.
De bedoeling was ook om met beide kleurstellingen aan de start te
verschijnen tijdens de eerste GP van het seizoen in Australië. Een
uitstekende marketingtruc op het eerste gezicht. De FIA dacht daar
echter anders over. De regelgeving schreef voor dat beide auto’s
van een team vrijwel identieke liveries moesten dragen, waarbij
alleen kleine verschillen, zoals startnummers en rijdersinformatie,
waren toegestaan. En dus ging het plan van BAR niet door en moest
het team het over een andere boeg gooien. Dat deed het
vanzelfsprekend ook, en zo werd één van de meest bizarre liveries
ooit geboren. Een gedeelde livery met een rits over de neus. De
linkerkant van de auto had de Lucky Strike-kleuren, de rechterkant
de 555-kleuren, gescheiden door een ‘rits’ op de nosecone. De
achtervleugel volgde hetzelfde principe, met 555 aan de voorkant en
Lucky Strike aan de achterkant. Alle monteurs kregen pakken die
half Lucky Strike en half 555 waren. Alleen de coureurs behielden
overalls met hun oorspronkelijke kleuren. Het was een oplossing die
voldeed aan de letter van de wet, al waren de meningen over de
kwaliteit van de nieuwe livery niet in het voordeel van het team.
Maar uiteindelijk ging het allemaal om de resultaten op de baan.
Als die goed waren, zou de algemene mening over de livery snel
onbelangrijk worden. Deceptie Hoe groter de verwachtingen, hoe
harder de val. Zo bleek ook in 1999 bij het debuterende team.
Reynard had op de persconferentie gesuggereerd dat een overwinning
op Albert Park mogelijk was. "Waarom niet?", waren de inmiddels
legendarische woorden van de ontwerper van de BAR 01. De realiteit
was echter genadeloos. De GP van Australië liep uit tot een farce
voor BAR. Villeneuve kwalificeerde zich als elfde, op ruim 2,5
seconde van polesitter Mika Häkkinen. Zonta gaf bijna vier seconden
toe en moest als negentiende beginnen. De race was niet veel beter.
Na veertien ronden brak op hoge snelheid de achtervleugel van de
BAR 01 van Villeneuve af, met een stevige crash tot gevolg. Zonta
zag tien ronden voor het einde zijn versnellingsbak de geest geven.
De dramatisch verlopen GP was geen incident. Villeneuve startte het
seizoen met elf opeenvolgende uitvalbeurten. Hydraulische
problemen, versnellingsbakdefecten, gebroken aandrijfassen: de
lijst van technische problemen was eindeloos. Pas bij de Belgische
Grand Prix, race nummer twaalf, wist de Canadees voor het eerst de
finish te bereiken. Hij werd vijftiende. Het team zou 1999 puntloos
afsluiten. Een zevende plaats van nota bene invaller Mika Salo, die
Zonta na een harde crash in Brazilië verving, was het 'hoogtepunt'
van het jaar. Zowel Villeneuve als Zonta kwam niet verder dan P8.
Van de elf constructeurs eindigde BAR als elfde, nog achter
laagvliegers Arrows en Minardi, teams die vaak twee tot drie
seconden per ronde langzamer waren dan BAR. De vergelijking met
McLaren en Ferrari verdween snel uit de woordenschat van het team.
Betere jaren Vanaf 2000 gooide BAR het over een andere boeg. De
gecompliceerde gespleten livery verdween. Lucky Strike bleef op de
wagens verschijnen in een vereenvoudigde, iconische kleurstelling
van wit, zwart en rood, zonder de kleuren van 555 daarin opgenomen.
Het was visueel strakker, professioneler en effectiever. En het
werkte. Bij de openingsrace van 2000 scoorden beide coureurs
eindelijk punten, een welkome afwisseling na het rampjaar dat
daaraan voorafging. Die Lucky Strike-livery zou dé uitstraling van
het team worden voor de jaren die volgden, een ontwerp dat geliefd
werd bij fans en veel beter paste bij de ambities van een renstal
die wilde groeien. Het team zou echter nooit een Grand Prix winnen,
al werden er uiteindelijk 15 podiumplaatsen behaald en een tweede
plaats bij de constructeurs in 2004. Na 2005 werd het team
overgenomen door Honda, waarna het via Brawn uiteindelijk
omgetoverd werd tot het Mercedes van nu. De BAR 01 blijft een
waarschuwend verhaal. Van overmoed, creatieve marketing die té ver
ging, en torenhoge verwachtingen die volledig werden gemist. Het
heeft wel gezorgd voor één van de meest opmerkelijke liveries in de
geschiedenis van de sport. Een soort dropduo, en dan ook nog eens
een onbetrouwbare.

Top Headlines

Oudere Top Headlines